Diensten/Vieringen  

   

Activiteiten  

   

Hij is niet een God van doden, maar van levenden…. (Marcus 12: 27)

Soms moeten we niet meer willen weten dan mogelijk is.

Meer dan dertig jaar geleden overleed mijn vader. Ik studeerde toen aan de VU in Amsterdam. Na enkele dagen werd ik verrast door een brief van prof. Kuitert, die mij troostte met bovenstaande woorden. Ik heb daar veel aan gehad.

Ze waren genomen uit het Evangelie. Er is geen betere bron denkbaar.

Het zijn woorden van Jezus die in een leergesprek verwikkeld is met de Sadduceeën over de mogelijkheid dat doden zullen opstaan. Het geloof daarin was ooit opgekomen als antwoord op de vraag: zal God recht kunnen doen aan het leven van onschuldigen en martelaren die zijn omgebracht?

De Sadduceeën waren een groepering binnen het Jodendom, die alleen de  op naam van Mozes staande boeken erkende als ‘Bijbel’. Wat daarna kwam, met al datgene wat je niet bij ‘Mozes’ vindt, had geen wezenlijke waarde. Daarom geloofden zij bijvoorbeeld niet in engelen. En van een leven na dit leven, laat staan van een opstanding der doden, moesten zij ook niets hebben. In hun conservatisme weerspiegelt zich dat zij een bevoorrechte klasse waren. Zij hadden veel: macht en rijkdom.

Als zij Jezus willen uittesten op het punt van de opstanding, komen ze met een extreem voorbeeld waarmee ze die vreemde rabbi uit dat half-heidense Galilea belachelijk willen maken.

Een vrouw wordt weduwe. Volgens de Torah (de wet van Mozes) moet, als er geen kinderen zijn, de broer van haar overleden man dan met haar trouwen, met als doel dat hij uit naam van zijn broer nageslacht bij haar zal verwekken. De gedachte daarachter: je leeft voort in je kinderen. Die zorgen er voor dat je naam niet wordt uitgewist. Gesteld nu dat ook de broer  overlijdt en een volgende broer zich aandient, en stel dat zij uiteindelijk met zeven broers getrouwd zal zijn geweest….. Van wie is zij dan de echtgenote in de Wereld die komt?

Het antwoord van Jezus is scherp en verrassend. Hij zegt dat zijn gespreks-partners dwalen, en wel omdat zij de Schriften niet kennen, en evenmin de kracht van God. Kenmerkend voor de God van Jezus is dat Hij ‘alle dingen nieuw maakt’, juist ook de uitzichtloze dingen waar de hoop bij is leegge-lopen: ‘opstanding’ een nieuw, een ander soort leven, alle dood voorbij.

“Ze zullen zijn als de engelen”. Of dat overkomt betwijfel ik, de Sadduceeën geloofden immers niet in engelen.

Maar Jezus grijpt dan terug op de Torah, de enige door hen erkende auto-riteit: het verhaal van het brandende braambos, waar de Eeuwige zich aan Mozes openbaart als ‘de God van Abraham en de God van Izaäk en de God van Jacob”. Daaruit spreekt, dat God met hen verbonden blijft, niet alleen in herinnering. Hij is daarom een God van levenden en niet van doden. ‘Voor Hem leven zij allen.’

Daarmee is eigenlijk alles gezegd wat wij nodig hebben te weten over het ‘hiernamaals’,

God laat niet los wat Hij begon. Als onze doden voor Hem leven, is dat meer dan genoeg om hen aan Hem toe te vertrouwen. En vervolgens de herinnering aan onze geliefden vruchtbaar te laten zijn op onze verdere weg, hier op aarde. Want daar is nog veel te doen.

ds Gerrit van den Dool, november 2009